Gooi & Vecht Historisch

Detail

BestandsnummerSSAN019.03
Archiefcategorie1.1 algemeen plaatselijk bestuur
ArchieftitelArchief van het Gemeentebestuur van Muiden
Plaats Muiden
Datering1812 -1939 (1943)
Omvang72 m
Statusinventaris
Overige opmerkingenInclusief het Bevolkingsregister (1811) 1850-1938, waarvan scans zich tot en met 1921 bevinden bij de inv.nrs. Zie hiervoor de inventaris/toegang, rubriek 13 (registratie van de bevolking).
ArchiefdienstGemeentearchief Gooise Meren en Huizen
InventarisInventaris. Archief van Gemeentebestuur van Muiden

  •  Inleiding bij de archieven van de gemeente Muiden
    • Met ingang van 1 januari 1812 werden de gemeenten Muiden en Muiderberg samengevoegd tot de gemeente Muiden. Jacob Saportas, sinds 1804 schout van Muiderberg, werd benoemd tot maire. De bevolking van de nieuwe gemeente telde 1400 zielen: binnen de veste 989, buiten de veste 153, in Muiderberg 170 en in Kleyn Muyden 88. Kleyn Muyden was een kleine enclave vlakbij Nigtevecht, dat onder de jurisdictie van Muiden viel. Op 1 november 1819 werd de enclave bij Nigtevecht gevoegd. Met de samenvoeging kwam ook de dreiging van ´degradatie´ tot plattelandsgemeente. In november 1814 werd een verzoek ingediend waarin onder meer werd gewezen op het feit dat Muiden al in de twaalfde eeuw stadsrechten had gekregen. Een tweede verzoek, ingediend bij Willem I, had succes. Muiden mocht de naam stad behouden, en de schout mocht weer de naam burgemeester voeren.
      Na de Franse overheersing brak een moeilijke economische tijd aan. De malaise werd nog eens versterkt door de verzanding van de haven. Een groot deel van de zoutindustrie werd gesloopt of verkocht. In 1838 kocht J.J. Bouvy uit Amsterdam de zoutkeet “de Pauw” aan. In de volgende decennia heeft de familie Bouvy herhaaldelijk geprobeerd de keet te verkopen, voor het na 1870 werd gemoderniseerd en uitgebreid. De Buskruitmolen verkeerde eveneens in verval nadat tijdens de Franse overheersing de uitvoer van buskruit was verboden. In 1831 kocht Abrahem Bredius de in 1802 onder zijn leiding gebouwde kruytstoof aan. In 1844 verenigden alle buskruitmakers van Nederland zich in een associatie onder de naam “de gezamenlijke Buskruidmakers van Noord-Holland en Utrecht”.  Vier jaar later verplaatste de associatie alle werkzaamheden naar de buskruitfabriek de “Krijgsman” in  Muiden, die ten gevolge hiervan aanzienlijk werd uitgebreid. In 1869 werd een geheel nieuwe fabriek gesticht, waarbij de paardenkracht vervangen werd door een stoommachine. Op 19 januari 1883 werd de fabriek vrijwel geheel verwoest, dertien man personeel vond de dood. Ook Muiden zelf had onder grote verwoestingen te lijden. Ondanks grote tegenstand bleef de kruitfabriek in Muiden. Op 4 september 1885 werd bij koninklijk besluit op verzoek van de buskruitmakers beschikt tot herbouw. De bestaande vereniging was inmiddels omgezet in een NV.
      De scheepsbouw was de enige industrie waar het de gehele negentiende eeuw voor de wind ging. Wat betreft de scheepvaart nam het verkeer over de Vecht nam af, mede door het verzanden van de haven zochten de schippers een andere weg naar Amsterdam. In 1849 werden pogingen ondernomen de invaart in de haven te verbeteren, maar pas in 1870 bracht het Hoogheemraadschap de haven op diepte en legde het strekdammen aan, waardoor ergere verzanding werd voorkomen. Het scheepvaartverkeer trok hierna aanzienlijk aan.
      Aan het einde van de 19de eeuw bloeide de economie op. De bevolking nam toe tot c. 2000 zielen rond 1900. De economische opbloei en bevolkingsgroei deed de noodzaak toenemen van betere verkeersverbindingen, voornamelijk met Amsterdam. In 1870 nam de gemeente het onderhoud van de straten in Muiden over. De bestrating werd bekostigd met een lening van het Hoogheemraadschap. Tot dan toe had de gemeente geen wegen of straten in eigendom gehad. Onderhoud werd gepleegd en bekostigd door aanwonenden. Het gemeentebestuur kwam driemaal per jaar schouwen, te weten op 1 mei, 12 juni en 17 sept. Als het niet in orde was werd een waarschuwing afgegeven. In 1876 werd de Korte Weesperweg zonder betaling van de eigenaren overgenomen en verbreed en verhard, om een goede toegang te krijgen tot de Oosterspoorweg over Weesp. Een belangrijke verbetering van de verbinding met Amsterdam betekende de komst van de Gooise stoomtram. Op 22 juni 1880 diende Cornelis Bok te Den Haag een aanvraag om concessie in voor een tramweg door de gemeente. De Raad had geen bezwaar, mits gezorgd zou worden voor het onderhoud van de straat en het verhogen van een deel van de Amsterdamse straat.
      De Gooise stoomtram betekende het einde van de trekschuiten en de postkoets. Al eerder hadden financiële problemen tot achterstanden in het onderhoud van met name het zandpad geleid. De tollen brachten niet genoeg geld in het laatje van de commissarissen over de trekvaart en het zandpad. De drie stichters – Amsterdam, Muiden en Naarden - stonden garant voor de tekorten. Het zandpad was wegens slecht onderhoud in 1839 door het Rijk overgenomen en vervolgens bestraat. In 1873 trok Amsterdam zich terug uit de Commissie over de trekvaart en het zandpad tussen Amsterdam, Muiden en Naarden. Naarden en Muiden zagen zich gedwongen het aandeel van Amsterdam over te nemen.
          De slechte financiële positie van de gemeente tekent zich door de geschiedenis van de huisvesting van het gemeentebestuur. Het oude stadhuis, dat zich bevond op de Herengracht, verkeerde begin negentiende eeuw in zeer slechte staat. In 29 november 1836 stortte het tenslotte na een storm in. Het archief werd zo lang in een leegstaand huis ondergebracht. De resten werden gesloopt, maar door geldgebrek kon geen nieuw stadhuis worden gebouwd. In 1840 werd een huis gehuurd op de gracht naast de Rooms-Katholieke pastorie, ter onderbrenging van het gemeentebestuur. In 1852 werd een huis gehuurd van J. Bouvy. Na een mislukte poging enkele kamers op het Muiderslot te huren, werden in 1860 drie kamers gehuurd in herberg “ Vechtzicht”. Plannen voor nieuwbouw konden wegens geldgebrek niet worden uitgevoerd. In 1882 werd een leegstaand herenhuis aangekocht, gelegen zuidelijk van de garage van Bouvy, dat tot stadhuis werd ingericht. In 1914 bood J.L.M. Bouvy de gemeente tenslotte fl. 10.000 voor het oude gebouw en schonk hij fl. 5000 voor de bouw van een nieuw stadhuis. Dit zou gebouwd worden op de plek van het voormalige stadhuis aan de Herengracht. Architect was J. Stuyt te Amsterdam. Op 11 maart 1915 kon het stadhuis worden geopend.

      Het Muiderslot werd in 1824 door Defensie overgedragen aan Domeinen. Het was inmiddels meer een bouwval dan een kasteel. Domeinen besloot het af te breken en het slot publiekelijk voor afbraak te verkopen. Hierop kwam groot protest, en een beroep op de koning, die het bevel gaf dat de verkoop van het slot niet door mocht gaan. Daarmee werd de toestand van het slot er niet beter op. In 1875 werd het Slot door Defensie ontruimd, die het gebruikte als opslagplaats voor explosieven – en werd het slot voor het publiek geopend door slotbewaarder Louis Diederik Taunay. In 1878 droeg Rijkswaterstaat, die zestig jaar eerder het beheer over het Slot van het ministerie van Binnenlandse Zaken had overgedragen gekregen, het Slot weer over aan datzelfde ministerie. Daarmee was de stichting van het Rijksmuseum Muiderslot een feit. Taunay was reeds in 1875 begonnen met het opzetten van een collectie. Na de feesten ter herdenking van de 300ste geboortedag van P.C. Hooft in 1881 werd besloten tot oprichting van een Commissie voor de Inwendige Restauratie van het Muiderslot. Het slot werd tussen 1895-1909 grondig gerestaureerd. Ondertussen bleef het, tezamen met de vesting Muiden, deel uitmaken van de Hollandse vestinglinie: tot 1892 van de Hollandse Waterlinie en na dat jaar van de Stelling van Amsterdam als vestingwerk van de eerste klasse. Vanaf 1875 tot 1885 werd de vesting rond Muiden en het Muiderslot voor de laatste maal gemoderniseerd.

  • Hele toegang (SSAN019.03 Inventaris. Archief van Gemeentebestuur van Muiden)